‘Ach ik was vroeger ook onhandig’

‘Ach ik was vroeger ook onhandig’

Je kent de clichés wel. De appel valt niet ver van de boom. Hij heeft het niet van een vreemde. Clichés die niet alleen ten gunste kunnen komen aan je kind, maar ook vervelende gevolgen kunnen hebben.

Als voorbeeld nemen we Tom. Tom is een jongen van 7 jaar. Op school gaat het leren redelijk, maar tijdens het buitenspelen en gym gaat het vaak mis in het samenspel met zijn klasgenootjes. Hij zit altijd aan andere jongens wat weer geregeld zorgt voor conflictsituaties. Overigens zitten jongens vrijwel altijd aan elkaar en is dit een natuurlijk verschijnsel in de ontwikkeling die ook zeer belangrijk is.

Tom komt het schoolplein opgerend. De jongens proberen elkaar te pakken en rennen achter elkaar aan. Natuurlijk rennen ze niet in een rechte lijn en dus schieten ze van links naar rechts. Tom kan het letterlijk niet bijbenen. Op momenten dat ze iemand te pakken hebben komt Tom erachter aan en lijkt dan zijn langzame sprint goed te willen maken door één van de jongens uit te dagen en te duwen.

Helaas pakt hij de verkeerde uit de klas. Timo is veel sterker en trekt Tom op de grond. Tom staat op en geeft het op. Hij staat 2-0 achter, want zo voelt het. Relativeren doen deze kinderen niet. Buiten het feit dat relativeren natuurlijk een veel te moeilijk woord is met veel te veel lettergrepen valt deze situatie natuurlijk ook niet te relativeren. Ok, ik waag een poging: deze situatie hoort bij de ontwikkeling van ieder kind.

Klaar met relativeren.

Zijn moeder zegt: ‘Tom is gewoon wat minder snel’, en, ‘Ach, ik was vroeger ook onhandig’. Tijdens ons gesprek komen we erachter dat moeder het vroeger heel erg vond dat ze zo onhandig was, maar dat ze het inmiddels heeft geaccepteerd. ‘Mijn kind mag zijn wie hij is en ik hou van hem, ook al is hij wat onhandig’, maar stiekem gunt ze hem meer dan dit.

Een super lieve moeder dus, maar wat voelt Tom?

Ik zou me zo kunnen voorstellen dat Tom zijn tekortkomen op het schoolplein nog zeker niet geaccepteerd heeft. En waarom zou hij ook? Hij is jong, heeft energie voor 10 en is positief ingesteld.

Tom zijn benen ogen zwaar tijdens het rennen en hij tilt zijn voeten niet goed op. Ook staan zijn voeten wat naar binnen (platvoeten) en lukt het hem onvoldoende om zijn voeten af te wikkelen. Dit zorgt voor een instabiel houding- en bewegingspatroon. Dit maakt hem trager in zijn handelen en minder sterk.

Na observaties valt ook op dat dit door werkt in zijn fijne motoriek. Tom houdt niet van werkjes maken wordt gezegd door school en ouders. Mijn vraag is alleen, hoe komt dat? Moet ik ook gelijk aannemen dat hij hier gewoon geen interesse in heeft zelfs al zou hij de beste van de klas zijn? Ik kan me in ieder geval voorstellen dat de interesse een stuk minder wordt wanneer je 3x meer tijd nodig hebt voor hetzelfde resultaat als je klasgenootjes.

Tom komt oefenen om meer wendbaar te zijn tijdens het rennen en spelen op het schoolplein en tijdens gym. Voor zijn voetstand wordt hij doorverwezen naar een podotherapeut. De voetstand blijkt nog tot het achtste levensjaar te kunnen veranderen. Het advies is dan ook om de stabiliteit in de voeten vooral te compenseren met goede schoenen. Daarnaast is lopen op blote voeten, in de zomer in het zand bijvoorbeeld, goed om de stabiliteit in de voet te trainen. Behalve accepteren dat Tom ‘gewoon wat onhandig’ is, zijn dit goede tips om letterlijk en figuurlijk een stap voorwaarts te zetten.

Tijdens de sessies oefentherapie leert hij niet alleen hoe hij zijn benen en voeten beter gebruikt tijdens het lopen en het rennen. Ook oefent hij in het sterker maken van zijn beenspieren door allerlei leuke spelletjes in de oefenzaal. Spelletjes die hij ook thuis kan oefenen. In de klas houdt zijn juf meer rekening met Tom als het gaat om werkjes maken. Hij krijgt meer tijd en er zijn meer oefenmomenten ingebouwd zodat hij meer ervaring krijgt. Ook in de therapie krijgt hij handvatten hoe hij behendiger wordt in fijnmotorische vaardigheden.

Wat minstens zo belangrijk is bij Tom is dat hij positieve ervaringen opdoet in spel en bewegen. Ervaringen waarbij hij voelt dat het beter gaat, waarin hij merkt dat hij niet alleen maar steeds te laat is en daardoor het gevoel heeft niet mee te kunnen doen.

Een positief en reëel zelfbeeld kan door negatieve spelervaringen omslaan in een onrealistisch en negatief zelfbeeld. Gedachten als ‘ik kan het niet’, ‘het lukt me toch niet’ en ‘alles is stom’, komen dan ineens in zijn hoofd terecht.

Na de extra hulp heeft Tom meer inzicht gekregen in eigen kunnen en hoeft hij zich niet meer op een negatieve manier te revancheren op zijn klasgenootjes.

Een goede motorische ontwikkeling is zo’n belangrijke bouwsteen voor de algehele ontwikkeling. Dit wordt nog te weinig gezien en te vaak onderschat. Ouders zijn ook vaak bang dat hun kind onder een vergrootglas komt te liggen en dat het erger wordt gemaakt dan het is. Deze angst zorgt voor stil staan of terugtrekken. Ontwikkeling betekent vooruit gaan, vallen en weer opstaan.

Add a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *