Zelf ontdekken en tempo bepalen

Zelf ontdekken en tempo bepalen

Thomas is een jongen uit groep 2. Hij heeft een matig evenwicht en is snel bang en onzeker wanneer het oppervlak waar hij op loopt instabiel is. Hij loopt de gymzaal in en kijkt om zich heen. Aan de hand van wat hij ziet denkt hij vaak al te weten wat we gaan doen. Maar dit keer heeft hij geen idee. Hij ziet alleen een voorwerp van hout in het midden van de zaal liggen. Een voorwerp dat hij nog niet eerder heeft gezien, laat staan dat hij er verwachtingen van heeft.

Het voorwerp is een wiebelplank, ooit zelf gemaakt om het evenwicht van kinderen te stimuleren. Vaak bouw ik de oefeningen op van een zittende naar een staande houding en probeer ik het op die manier steeds wat lastiger te maken. Een routine die er bij mij zit ingebakken met de daaraan gekoppelde verwachtingen. Omdat Thomas snel bang is pak ik het dit keer anders aan.

Thomas lijkt wel geïnteresseerd in het voorwerp en kijkt mij heel even vragend aan. Hij is gewend dat ik zeg wat we gaan doen, maar van mijn blik wordt hij dit keer niet veel wijzer. Hij gaat op de grond zitten en raakt de wiebelplank aan met zijn handen. Dat hij heen en weer gaat vindt hij wel grappig. De zijkant raakt de grond en dat maakt een hard geluid. Hij begint hiermee te spelen. Van zachtjes naar heel hard. Hij kijkt heel even naar mij of ik zijn spel nu al ga corrigeren, maar ik zwijg. Wie zwijgt stemt toe snappen jongens uit groep 2 blijkbaar ook al heel goed, dus Thomas begint steeds harder te wiebelen.

Dan ineens stopt hij en begint hij al zoekend door de zaal te lopen. Hij begint materiaal te verzamelen. Pittenzakken, pionnen, ballen, blokken, alles wordt erbij gehaald. Hij neemt het mee naar de wiebelplank. Blijkbaar is de kwaliteit van de plank goedgekeurd en gaat hij nu een ander onderdeel testen, de balans. Thomas legt van alles op de plank om te ontdekken wat blijft liggen en wat niet. Hij bouwt de spanning op. Zodra alles van de plank valt begint hij hard te lachen. De spanning is van de toren af en blijkbaar ook van Thomas. Ik vraag hem of hij er zelf ook op kan zitten en neem vanaf dat moment weer een klein beetje de leiding over. Thomas gaat er gelijk op zitten. Hoewel hij moeite heeft met zijn balans is hij niet bang.

Thomas  heeft op zijn eigen tempo en met zijn eigen ideeën de wiebelplank leren kennen. Door de plank te voelen en door de positieve spelervaring blokkeert hij minder snel en durft hij er nu ook op te gaan zitten, staan en er over heen te lopen. De wiebelplank blijft voor hem een lastig voorwerp, maar hij blijft plezier houden in het oefenen.

Kinderen even de tijd en de ruimte geven om het materiaal te leren kennen en er zelf op hun eigen manier en niveau mee te laten spelen zorgt ervoor dat ze er vertrouwen in krijgen. Deze stap wordt nog te vaak overgeslagen.

jezelf beoordelen doet wonderen

Jezelf beoordelen doet wonderen

Met een onderzoekende blik kijkt hij me aan nadat hij net een aantal pionnen heeft geraakt met een bal. Ik hoef hem niet te vragen wat hij met die blik bedoelt. Hij wil weten wat ik van zijn worp vond. Ik zeg niets. Ik zet mijn pokerface op en wacht totdat hij doorgaat met gooien. Aan het eind vraag ik hem wat hij vond van zijn prestatie en of hij een cijfer kan geven tussen 0 en 10. Hij geeft zichzelf een 8 en ik kijk hem lachend aan. ‘Super goed man’, zeg ik. Ik geef je ook zeker een 8. Het grootste compliment is niet de lach van mij en de bevestigende 8 die ik hem geef, maar juist zijn eigen beoordeling en het intrinsieke besef van wat hij in zijn mars heeft. Zijn motorisch zelfbeeld is vaak niet reëel en afhankelijk van hoe anderen op hem reageren. Dit leidt bij hem vaak tot twijfels over het eigen kunnen.

Kinderen hechten veel waarde aan de mening en reactie van hun ouders en van leerkrachten. Kinderen die wat onzeker zijn en geen reëel beeld hebben van eigen kunnen richten zich vaak nog meer op het oordeel van anderen en vinden zichzelf vaak niet goed genoeg. Dit remt het zelfstandig ontwikkelen van motorische vaardigheden.

Afhankelijk van de leeftijd van kinderen probeer ik ook uit of ze kunnen ontdekken waarom een opdracht nou zo goed ging. Zodra ze dat door krijgen valt op dat ze een beter besef krijgen van hoe bijzonder sommige prestaties zijn. Kinderen zijn nog te vaak gericht op de dingen die niet goed gaan en vinden bepaalde goede prestaties nooit goed genoeg. Zodra ze een fout maken leggen we uit wat ze fout deden en hoe ze dat de volgende keer kunnen voorkomen. Dit is een belangrijke stap om tot ontwikkelen te komen, maar het creëert ook vaak een negatief zelfbeeld. Kinderen die zichzelf een reële bevestiging kunnen geven of ze iets goed of minder goed hebben gedaan zijn vaak meer gericht op zichzelf en voelen ook hun eigen lijf beter aan.

‘Nu jij!’, zegt hij. Hij herinnert mij even aan mijn vorige column ‘meedoen is goud waard’, aannemend dat hij die waarschijnlijk zelf niet gelezen heeft. Ook ik doe de oefening en ik bak er helemaal niets van. Hij vraagt: ‘En? Wat voor cijfer geef jij jezelf?’ Ik geef mezelf een 5. ‘Daar ben ik het wel mee eens’, zegt hij lachend. Als laatst gooien we om de beurt en zijn we een team. We besluiten om iedere poging die raak is uitbundig te vieren om zo het positieve te benadrukken. Na de eerste rake worp van hem springt hij op mijn rug en rennen we juichend de zaal rond. Onze dag kan niet meer stuk!

Een positief en realistisch zelfbeeld is essentieel in de ontwikkeling van een kind. Zelf weten wat je niveau is voorkomt dat je teveel waarde hecht aan de mening van anderen. Dit maakt het aanleren van motorische vaardigheden een stuk leuker en makkelijker.

Meedoen is goud waard

Meedoen is goud waard

Ik kom de school binnen en loop rechtstreeks naar de lerarenkamer, toe aan mijn eerste bak koffie. Uit onverwachte hoek komt een jongetje uit groep 1 op mij afgerend, ‘Hee meester Frank!’ Hij remt niet af en grijpt mijn benen vast. Ik begroet hem met ‘Hee vriend! Goedemorgen!’ Met een grote glimlach loop ik door naar de lerarenkamer. Ik bedenk me dat dit ook alleen maar kan gebeuren wanneer je met kinderen werkt. Het zou toch gek zijn als er ineens een collega op je af komt rennen. Toch vraag ik me af wat deze onverwachte knuffel zou betekenen. Zou het echt alleen maar een enthousiast ‘hallo’ zijn? Of wil hij zeggen hoe blij hij is dat hij iedere week één op één aandacht krijgt? 

Kinderen één op één aandacht mogen geven in het gymlokaal in de school. Je maakt mij en vooral de meeste kinderen niet gelukkiger. Ik noem het gymlokaal dan ook het mooiste lokaal van de school en er is nog geen kind geweest in al die jaren die het daar niet mee eens was. Even de klas uit mogen maakt de rest van de klas jaloers. Iedereen wil wel mee. Zelfs de juf maak ik er jaloers mee, want ook zij verlangt wel naar de tijd dat je nog één op één aandacht kon geven aan kinderen. Het is aan de ene kant fijn om mee te maken dat de kinderen jouw werk zo waarderen, maar tegelijk zet het me wel aan het denken.

Aandacht

Ik zie hulpverleners de meest ingewikkelde plannen maken om de meest gecompliceerde, maar soms ook zo simpele hulpvragen te kunnen beantwoorden. Het toverwoord is toch vaak aandacht, alleen dan verpakt in vaktermen. Naast mijn mening dat kinderen op de basisschool al jarenlang te weinig beweging krijgen is er eigenlijk nog een groter te kort aan aandacht. Ik vraag me sterk af hoeveel kinderen ik wel niet zou kunnen begeleiden wanneer ‘aandacht tekort’ een op zichzelf staande hulpvraag zou zijn.

Natuurlijk zijn de klassen te vol en natuurlijk komt er steeds meer diversiteit in een klas door het passend onderwijs, maar aandacht kan uit verschillende hoeken komen. Ik merk niet alleen tijdens de therapie, maar ook bij sommige leerkrachten en ouders dat meedoen in het spel van de kinderen veel krediet en een bijzondere band oplevert tussen kind en volwassenen.

Kinderen genieten er enorm van wanneer hun vader of moeder een keer mee wil doen met een spelletje. Op één van de scholen waar ik werk zijn twee meesters die in de pauze mee voetballen met de kinderen. De kinderen vinden het fantastisch en er is praktisch nooit een incident tijdens het voetballen. Ik merk dat de kinderen hier op zowel motorisch gebied als op sociaal-emotioneel gebied een stuk sterker van worden. Het meedoen van de leerkracht motiveert kinderen ook om in beweging te komen en te blijven. Daarnaast maakt de leerkracht zich snel populair bij de kinderen waardoor ze hem of haar ook eerder als voorbeeld gaan zien en makkelijker zijn aan te zetten tot leren.

Letterlijk meebewegen en meedoen met kinderen is goud waard. Aandacht is de brandstof voor kinderen dat zorgt voor een groter leervermogen en een verbeterde vertrouwensband tussen kind en volwassenen.

Wanneer bescherm je een kind

Wanneer bescherm je een kind?

Bescherm je een kind zodat het zich veiliger voelt? Bescherm je een kind zodat er meer veiligheid aanwezig is in zijn of haar ontwikkeling? Bescherm je een kind om jezelf een veilig gevoel te geven of misschien zodat je kind minder angst heeft of dat jij minder angst hebt.

Talloze redenen zijn er te bedenken waarom je een kind zou beschermen. Daarnaast is natuurlijk ook de vraag: Wat is beschermen? Is dat een kind omarmen of is het je kind bewust weg houden uit bepaalde situaties? En misschien een beetje een gekke vraag: Kun je een kind ook beschermen tegen beschermen?

Ik koppel deze vragen graag aan de motorische ontwikkeling.

Praktijkverhaal

Eva bleef mooi op de grond! Ze stond in een het midden van de speeltuin op van die prachtige rubberen tegels (ook zo’n mooie discussie trouwens, wel of geen rubberen tegels?). In het midden een mooi klimtoestel met een glijbaan. Haar broer duwde haar letterlijk richting het klimtoestel. Hij snapte het gewoon niet dat ze er niet op durfde. Eva barst in tranen uit. Moeder kwam direct op haar af en troostte haar. Langzaamaan werd Eva weer rustig en moeder adviseerde haar om een mooie tekening te gaan maken met stoepkrijt.

en toen…

De volgende dag kwam Eva weer in de speeltuin. Dit keer was haar broer er niet bij en was ze alleen met haar vader. Eva had een hoop geleerd gister van haar ervaring. Ze twijfelde dan ook geen moment en begon direct weer met kleuren op de stoep. Na een tijdje probeerde vader haar met een rustige stem mee te nemen naar de glijbaan. Eva reageerde voor haar doen zeer direct met een NEE. Tenminste, ze zei geen nee, maar bedoelde vooral nee door zich weer terug te draaien naar haar tekening en niet op de vraag van haar vader in te gaan. Vader stelde voor om één keer van de glijbaan te gaan en  ondanks dat Eva niet reageerde tilde hij haar op en zette hij haar direct bovenaan de glijbaan, klaar om te glijden. Eva huilde niet alleen, maar schreeuwde het uit. Vader schaamde zich, maar niet direct voor zijn eigen handelen, maar meer voor het volume van zijn kleine Eva waarmee ze de buurt even liet weten wat haar vader wel niet gedaan had.

De volgende dag had Eva veel geleerd. Ze ging niet meer naar de speeltuin en ging in de achtertuin met stoepkrijt tekenen.

Motorische ontwikkeling en spelontwikkeling Eva

De fijne motoriek van Eva is inmiddels goed geoefend. Ze tekent vaak en kan zichzelf goed vermaken. Ze speelt uren alleen. Dat is ook veilig voor haar want zo heeft ze nooit de discussie of ze iets zou gaan doen wat ze misschien niet wil. Klimmen kan en wil ze vooral niet. Moeder geeft aan dat ze dat geen ramp vindt. Zelf hield ze ook niet van klimmen vroeger en je kunt jezelf ook goed pijn doen als je uit zo’n klimtoestel valt. Haar broer is er al een paar keer uit gevallen en mijn hart zit steeds in mijn keel als ik hem weer zie gaan.

Vasthouden of loslaten

De discussie vasthouden of loslaten is wederom geboren. Voor Eva is het belangrijk om nieuwsgierig te blijven naar de wereld om haar heen, vooral nieuwsgierig zijn naar het onbekende. Een aangeboren eigenschap die vrijwel ieder kind heeft. Deze eigenschap is ook nodig om te blijven leren. Vallen hoort erbij. Eva zal niet alleen het schoolplein gaan mijden, maar zal in andere onbekende situaties ook minder snel initiatief nemen. Ze mist immers succeservaring in het aanleren van nieuwe vaardigheden.

Hoe zit het dan met haar broer?

Haar broer Tom heeft geen moeite met opzoeken van spanning. Hij kan er niet genoeg van krijgen. Tom kan zelfs met zijn ogen dicht oversteken, staan op de wipwap, een handstand met landing plat op je rug en hij kan in het verkeer fietsen terwijl hij om zich heen kijkt en zijn stuur niet vast heeft. Bizar dat hij nog maar 3 keer op de eerste hulp is beland. Moeder geeft aan dat hij soms zo hard valt en dan gewoon weer op staat en niet eens hoeft te huilen. Zijn pijngrens is enorm hoog en dat is maar goed ook, want anders had hij de hele dag pijn gehad. Aan de andere kant had dat hem dan misschien wat meer afgeremd. Moeder probeert hem te beschermen maar hij luistert niet. Als je hem even niet in de gaten houdt steekt hij zo de busbaan over. Tom heeft een duidelijk kader nodig en kan deze zelf niet goed plaatsen.

Zijn grofmotorische vaardigheden zijn redelijk. Hij heeft veel kracht en snelheid, maar weinig lichaamsgevoel en heeft moeite met het doseren van zijn snelheid en kracht. Hij speelt veel samen en is geliefd bij andere jongens omdat hij altijd alles durft. Bij het voetballen heeft hij soms nog wel letterlijk en figuurlijk aanvaringen met andere kinderen doordat hij te hard speelt en anderen pijn doet.

Tips voor ontwikkeling Eva

Zo te zien lijkt Eva wat op haar moeder en Tom wat meer op zijn vader, maar dat is meer een conclusie dan een oplossing. Wellicht herken je zelf ook wel één van je kinderen in dit verhaal of misschien een buurjongen of buurmeisje. De vraag ‘wanneer bescherm je een kind’ blijft lastig en ook persoonlijk. Ondanks dat heeft je keuze enorm veel effect op de ontwikkeling van je kind. Bij kinderen met grote angst is het goed om kleine stapjes naar nieuw te maken. Eva zal eerst weer naar staand spel moeten. Dit kan al door een bal over te gooien. Springen, hinkelen, huppelen en misschien fietsen(ligt aan de leeftijd en aan wat ze al kan), dit zijn mooie opstapjes naar klimmen. Succes in nieuwe vaardigheden is een ongekend populaire drug voor kinderen. Zo krijg en hou je ze weer in beweging.

Tips voor ontwikkeling Tom

Tom zou vaker spel kunnen gaan spelen waarin hij moet doseren. Dit zou je staand en lopend kunnen oefenen door spelletjes op één been te doen of over een stoeprand te lopen. Het aanvoelen en aansturen van je lijf is zeer belangrijk. Niet alleen om niet te vallen, maar ook om uit onveilige situaties weg te blijven en om minder snel conflicten te hebben met leeftijdsgenootjes. Tom zal waarschijnlijk zittende opdrachten saai en vooral moeilijk vinden. Hiervoor heeft hij waarschijnlijk teveel onrust in zijn lijf. Toch zou een spelletje jenga of toren van pisa aan tafel goed zijn om zijn spanningsboog en gerichte aandacht te trainen. Denk er aan dat zo’n spelmoment ook niet zo lang hoeft te duren. Zo lang als hij aan kan. Het belangrijkste is wederom: Succeservaring opdoen in nieuwe vaardigheden zorgt dat hij in beweging komt en blijft. Of in het geval van Tom, dat hij leert doseren.

Tot slot

Beschermen is een fantastisch middel om als ouder of als leerkracht in te zetten bij een kind. Onderschat niet de kracht van dit wapen! Het beïnvloed vaak het (spel)gedrag bij een kind.