Help mijn kind blokkeert! 8 tips om je kind weer in beweging te krijgen

Help mijn kind blokkeert! 8 tips om je kind weer in beweging te krijgen

Koen is een slimme jongen. Hij is 8 jaar en doet het goed op school. In de klas bedoel ik dan vooral. Met gym en in dagelijkse handelingen zoals het naar school toe fietsen gaat het vaak mis. Hij zeurt al snel als hij letterlijk in beweging moet komen. Zijn ouders zien wel hoe dat komt. Hij is erg angstig om te vallen en voorkomt dat door zo min mogelijk te bewegen. Hij zet zijn hersenen in om zich uit voor hem lastige situaties te discussiëren. Zijn moeder is het type ‘niet zeuren, maar doorzetten’. Dit werkt bij Koen vaak averechts. Hij doet zijn armen over elkaar, buigt voorover en gaat steeds meer in een protesthouding. Ook is hij er verdrietig over en dit gevoel kan hij lastig inhouden. Ook tijdens gym barst hij geregeld in tranen uit. Het oefenen door vallen en opstaan is voor hem geen optie omdat hij ten kosten van alles wil voorkomen dat hij valt. Het zal dan dus ook anders moeten, maar hoe?

1. Kies voor veiligheid

Wanneer je kind snel blokkeert en weinig vertrouwen heeft in zichzelf is het verstandig om bewegingen en spel te kiezen waar hij zich prettig en vertrouwt mee voelt. Laat hem speelgoed / speeltoestellen kiezen die hij kent en waar hij zelf graag wat mee wil doen. Sluit aan bij je kind en denk niet de hele tijd aan het doel wat je voor ogen hebt zoals dat hij eindelijk eens niet gaat huilen als hij één keer valt. Falen, fouten maken, vallen en negatieve ervaringen moeten in het begin ten alle tijden voorkomen worden. Iedere keer dat hij valt bevestigt alleen maar zijn negatieve gevoelens en zo sta je verder af van je uiteindelijke doel. Daarnaast zorgt het vallen er ook voor dat het bij jou weer dat gevoel los maakt dat je het niet passend vindt bij de situatie. Hij voelt dat jij zijn gevoelens niet serieus neemt en tja, dan voelt hij zich nog slechter dan hij zich al voelde.

2. Voelen van eigen lijf

Vraag in de bewegingen en spellen wat hij voelt en geef zelf ook aan wat jij voelt. Dit betekent dus ook dat je wel mee moet doen. Als je aangeeft dat je begint te zweten van het rennen of dat je het klimmen een beetje spannend vindt dan geeft dat je kind het gevoel dat hij niet de enige is met dat gevoel. Ook lokt het uit dat je kind zijn aandacht naar binnen richt om ook te voelen wat hij voelt in die situaties. En het kan ook uitlokken dat je kind ook gaat benoemen wat het voelt. In je lijf zit je angst, maar in je lijf zit ook je kracht, je kwaliteiten. Door deze te ervaren richt je minder de aandacht op de buitenwereld (stomme bal, stom klimrek, stomme mama), maar meer op je binnenwereld.

3. Leren vallen

Wanneer vallen een angst is kun je ook een valspelletje doen. Kies uiteraard een zachte ondergrond (een bed bijvoorbeeld) en je kunt los. Een stoeispelletje vooraf maakt je kind bewust van zijn hele lijf doordat het alle spieren krachtig aanspant om te winnen van zijn vader/moeder. Na dit spel kun je oefenen met je laten vallen op het bed, voorover vallen waarbij je je handen kunt gebruiken om je op te vangen is het minst spannend. Daarna kun je ook op je rug en je zij vallen en uiteindelijk zelfs met ogen dicht. Doe dan net alsof het bed van beton zou zijn, hoe zou je dan je lichaamshouding veranderen om (relatief) zacht te vallen? Die houding kun je ook gebruiken op het gras buiten in de tuin etc. En probeer vooral je eigen ideeën hierbij ook uit. Het geeft je hopelijk wat inspiratie, maar laat je eigen creativiteit en vooral die van je kind de vrije loop. Het plezier staat voorop! Onthoud dat!

4. Stoplicht-methode

Een stoplicht is een woord waar iedereen gelijk een beeld van heeft. Zelfs de jongste kinderen weten vaak al welke kleuren een stoplicht heeft en ook grotendeels wat de betekenis is. Een stoplicht kun je op veel manieren gebruiken. In dit geval zou je kunnen zeggen dat groen staat voor makkelijke opdrachten, oranje voor lastige opdrachten die je wel kunt wanneer je je goed inspant en concentreert en rode opdrachten zijn de opdrachten die je niet kunt. Je kunt een stoplicht ook gebruiken om je gevoel te verdelen. Zoals bij de angst die deze jongen kan ervaren. Groen staat dan voor totaal geen spanning, oranje voor een beetje spanning en rood staat voor super spannend (help ik wil naar huis).
Je doel is dat je kind vaker in de kleur oranje zit en minder vaak in rood. De opdrachten die je bij punt 1 hebt gedaan waren gericht op veiligheid en die passen natuurlijk in groen. Wanneer het vertrouwen en de veiligheid er is kun je naar oranje opdrachten.

5. Kiezen van eigen doel

Het is belangrijk dat je kind eigen doelen kiest. Bij het klimrek kun je vaak in etappes omhoog. Je kind kiest bijvoorbeeld voor 1 stapje omhoog. Hij denkt dat dit eng genoeg is, maar eenmaal gedaan zie je hem al trots kijken en is hij opgelucht. Vraag aan hem welke kleur het was. Grote kans dat hij groen zegt. Dan gaat hij waarschijnlijk al snel een stapje hoger. Het komt voor dat je als ouder heel graag zou willen zien dat hij nog een stapje hoger doet. Groei geeft energie en smaakt ook vaak naar meer, maar…. Respecteer het gevoel en de keuze van je kind. Ik geef eerlijk toe dat ik hier ook geregeld moeite mee heb, omdat ik het kind gewoon heel veel groei gun. Maar forceren werkt vrijwel altijd averechts.

6. Nooit forceren

En dus gaan we niet forceren, maar wat doen we wel. We stimuleren en faciliteren. We stimuleren het kind door concrete complimenten te geven. ‘Wat kon jij je stevig vasthouden toen je daar boven stond’. Ook kun je vragen aan je kind wat hij nou zo goed deed. ‘Hoe kan het dat je nou al zo hoog klom?’ Hierdoor lok je uit dat je kind gaat nadenken over wat er nodig is om zo hoog te klimmen. Dit vinden kinderen vaak heel lastig. Ze kunnen vaak niet zelf bedenken dat ze lef nodig hebben en kracht en balans en dat ze goed moeten kijken en voelen.

7. Helpende gedachten

Benoem samen voordat je start met een opdracht een aantal positieve gedachten en kies er één uit die jullie hardop uitspreken voordat je start met de opdracht. Wijs je kind op een negatieve gedachte die hij misschien tijdens een opdracht uitspreekt. En nodig hem uit om deze te vervangen door een positieve opdracht. Als dat echt niet meer lukt en het negatieve gevoel begint te overheersen vraag je het kind in welke kleur hij zit (stoplicht). Grote kans dat hij zelf de keuze moet maken om even pauze te nemen voordat het te laat is.

8. Succes ervaringen

Tot slot. Alles draait om succeservaringen in de ontwikkeling. Hak doelen in kleine stukjes en hak die weer in nog kleinere stukjes. Een kleine succeservaring voelt ook al heel goed, maar als de focus niet op die ervaring ligt dan gaan we er aan voorbij en voelen we het succes niet. Dan krijgen we kinderen die alles wat ze kunnen normaal vinden. Het gevoel dat je niet goed genoeg bent ligt dan al snel op de loer. Ik wens alle ouders en vooral de kinderen dan ook veel succeservaringen toe, hoe klein dan ook.

Frank_ninja_Beweegt

‘Mam, vandaag was ik een ninja!’

In het speel lokaal staat alles al klaar. Ik heb van alles bedacht voor een jongen van 5 jaar oud, maar zoals zo vaak kon ik ook vandaag mijn plan gelijk overbood gooien.

Daar is hij dan. Hij komt binnen in het speellokaal en heeft zijn laarzen al uit gedaan. Hij wijst op al het zand wat uit zijn laars kwam. Ik vraag hem of het voor ons spel handig is dat we ook zand in de zaal hebben. Even dacht ik dat hij wellicht ‘ja’ zou zeggen. Hij dacht even na en zei rustig ‘nee’.

‘Laten we samen een oplossing bedenken! Kom, we gaan stiekem in jouw eigen klas zoeken naar een oplossing.’ Vandaag waren er geen kinderen op school, dus we moesten alleen niet betrapt worden door de juffen. Hij sloop naar de stoffer en blik en samen slopen we weer het lokaal uit. Na het opvegen sloop hij weer het lokaal in om het zand stiekem weg te gooien.

Ik vraag of hij weet wat een ninja is. ‘JA!’, zegt hij enthousiast. Kom dan gaan we als ninja’s door de school sluipen. Maar niemand mag ons zien! We beginnen te fluisteren en blijven bij elkaar in de buurt. Na de eerste gang op onze knieën doorgekropen te zijn besef ik me dat ik mijn nieuwe broek aan heb. Heb ik weer. Dan maar een beetje gehurkt blijven. We hebben expres onze schoenen en sokken uitgedaan. Echte ninja’s dragen geen sokken en schoenen, dat snapt iedereen. We voelen de vloer, we voelen onze hartslag als we weer geluiden horen. Plotseling horen we een deur en zien we een juf. We rennen snel weg en verstoppen ons achter 2 planten. ‘Laten we stiekem naar de BSO ruimte gaan.’ We zitten op de hoek bij de trap en stemmen samen af dat we 3, 2, 1 zeggen en dan snel voorbij het raam glippen waar de juffen ons zouden kunnen zien.

3, 2, 1…. GO!! Ik voel me jong en oud tegelijk, maar dit plezier en alle leersituaties die hier in zitten zijn goud waard. Het afstemmen met elkaar, oogcontact, fluisteren, het voelen van je lijf, het voelen van de grond, het inspannen, maar zeker ook het ontspannen om onszelf niet te verraden.

‘Ik weet een geheime gang, maar daar mogen we eigenlijk niet komen.’ Mijn kleine ninja-vriend wordt nieuwsgierig en voelt tegelijk ook de spanning. Op 3, 2, 1, rennen we weer en komen we bij een deur. Achter deze deur zit de geheime gang. Een beetje een vies gangetje richting een nooduitgang. Ik kijk hem aan en zie dat hij niet op zijn gemak is. Hij zegt, ‘laten we weg gaan.’ Hij voelt duidelijk een grens in zijn lijf door wat we doen en gaat dan ook niet in alles mee met wat ik hem voor hou. Prachtig! Ik volg hem en samen sluipen we weer richting het speellokaal. Niemand heeft ons gezien en het blijft ons geheim!

Waar zijn nou mijn helpende gedachten gebleven_

Waar zijn mijn helpende gedachten?

Ja ik heb wel zin om naar Frank te gaan, maar we zijn al laat en nu moet ik opschieten van mijn vader, want we moeten echt weg. Ik kom gespannen aan, maar eenmaal binnen begin ik een leuk gesprek met Frank en raak ik de spanning een beetje kwijt. Het parcours wat klaar staat gaat er om dat ik leer een plan te maken, een plan aan te passen, door te zetten en hulp te vragen wanneer dat nodig is. Frank weet niet dat ik bijna te laat was en dat ik net de stress kwijt lijk te zijn. Hij gaat dan ook verder met het leren omgaan met opbouwende spanningen, net als vorige week. Ik krijg 5 minuten om een aantal puzzelstukken te vinden in het parcours en krijg pas punten als de stukken goed liggen in de puzzel. Hardop vraag ik me af wat ik nou moet doen als ik ze niet kan vinden. Samen proberen we een plan te bedenken. Ik heb echt geen idee. Frank herhaalt de oplossingen van vorige week, doorzetten en als het dan niet lukt hulp vragen. Samen bedenken we ook wat helpende gedachten. Ik sla ze op, maar ze vervangen mijn angst om te falen nog niet. Ik start. Ik heb in mijn hoofd dat ik alle puzzelstukken eerst wil vinden en dan pas wil puzzelen. Het lijkt goed te gaan, ik vind veel stukken, maar nog niet alles. Uiteindelijk geeft Frank aan dat ik nog maar 1 minuut heb. In mijn hoofd schreeuw ik om hulp, maar dat hoort Frank niet. Ik leg 2 puzzelstukken en dan is de tijd voorbij. 2 punten blijken 0 punten, want ze liggen toch verkeerd. Ook dat nog. Ik baal. Frank neemt met me door wat er allemaal goed ging vanaf het moment dat ik startte. Ik hield goede balans op de wiebelbank, ik bleef rustig bewegen en bleef rustig zoeken, beter dan vorige week, maar het kostte wel te veel tijd. Ik mocht nog een 2e poging doen, samen overlegde we het plan. Ik ga eerst naar het eind en dan direct al de stukken die bij de puzzel klaar liggen goed leggen en daarna de puzzelstukken zoeken die verstopt zijn. Ik start! Een stem in mijn hoofd zegt dat ik toch eerst alles wil zoeken. Frank vraagt halverwege dan ook wat ook alweer mijn plan was. Ik zeg hardop ‘eerst puzzelen’. Ik zucht diep en klim gelijk naar het eind om te puzzelen. Het lukt! Ik puzzel, vind nog een paar stukken onderweg en vraag zelfs aan Frank nog een tip. Uiteindelijk heb ik 10 punten! Ik baal! Ik mis nog 2 stukjes en nu is de tijd voorbij. Frank vergelijkt het met mijn eerste poging, maar daar heb ik geen boodschap aan. Het is niet goed genoeg en zo voel ik me al sinds mijn vader zei dat ik moest opschieten om naar Frank te gaan. Het einde van de les is aangebroken. Ik mag mijn sokken en schoenen aan doen, maar dat is wat ik nog lastig vind. Thuis vraag ik het aan mijn moeder of vader, maar ik durf het niet aan Frank te vragen. Ik ben er helemaal klaar mee. Ik pak mijn sokken en schoenen en mompel ‘ik ga gewoon’. Frank roept me terug en ik moet toch echt even mijn schoenen aan doen. Ik probeer en probeer, dat doorzetten lukt me wel. Vragen stellen lukt niet, maar Frank laat me eigenlijk geen andere keus. Die schoenen zijn echt zo stom! Ik kom hier anders niet meer weg. Ik vraag met grootse tegenzin of hij kan helpen. Ik moest mijn veters wat losser maken. Dat ik dat zelf niet eens kon bedenken. Ik ben echt dom! Mijn schoenen zijn aan, maar het lucht niet op. Volgende week hoop ik dat ik het beter doe.

Contact maken 2.0

Contact maken 2.0

Contact maken 2.0

2 jongens uit groep 8 gaan naast elkaar op de bank zitten in het speellokaal. Ze hebben elkaar een tijdje niet gezien door de corona periode. Allebei pakken ze hun telefoon en spelen hetzelfde spel, Brawlstars! Ze vragen aan elkaar in welk level ze zitten en in welke ‘clan’ ze zitten. Vroeger stoeiden we met elkaar om hiërarchie te bepalen, nu gaat dat ook via games. Ik stel me geïnteresseerd op en stel vragen. ‘Frank, ken jij Brawlstars?’, zegt een van hen. ‘Ja hehe’, zeg ik net alsof ik het dagelijks speel. Niet dus, maar ik lees me in. Het spel wordt door kinderen gespeeld op hun smartphones en is één van die spellen die verdienen aan microtransacties, waar de klant zich gemakkelijk aan waagt. Het verdiende alleen in de eerste maand na lancering al 63 miljoen!! Maar voordat we afdwalen van het onderwerp. Het is niet zomaar dat ik hier wat over wil zeggen.

Van Ninjago en paw patrol tot roadblocks, van youtube naar tiktok naar Twitch, van minecraft tot brawlstars! Wie dit nu leest en echt geen idee heeft waar ik het over heb, lees dan even verder. Vooral als je met kinderen werkt van basisschool leeftijd. Al eerder had ik het in mijn vlog over het inzetten van meerdere zintuigen om contact te maken met kinderen. Nu heb ik het over contact maken 2.0.!!

En nee, het heeft niets met leeftijd te maken. Het maakt niet uit hoe oud je bent. Als je in het buitenland komt ga je je ook inlezen in hoe de mensen daar leven en waar ze van houden. Wat houdt ze bezig? Met kinderen is dat niet anders. Het verschil is wel dat een land vaart op soms eeuwenoude tradities. Kinderen niet, die kun je bijna niet bijhouden, maar je kunt in ieder geval een poging wagen.

Je kan wel thuis blijven zitten nadenken waarom de kinderen steeds minder buitenspelen en bewegen, maar het is ook goed om te weten wat kinderen beweegt! Daarnaast spreek je ineens wat meer de taal die zij ook spreken en heb je ook een gespreksonderwerp. Ook zul je merken dat je echt punten scoort bij kinderen als ze merken dat je moeite doet om je te verplaatsen in hun wereld. Uitdagingen en/of problemen die zich voordoen in hun leefwereld begrijp je dan ook beter en je zal merken dat ze zich meer begrepen voelen.

Hoe sluit je aan bij blokkade van je kind

Tips voor ouders bij blokkade en boosheid (jonge) kind

Tips voor ouders bij blokkade en boosheid (jonge) kind

Kyan is nog jong. Hij is een jaar of 5 en rent door het huis. Vader komt net thuis van zijn werk en is moe, maar blij om zijn kinderen weer te zien. Hij is toe aan een knuffel van zijn kinderen. Kyan lijkt vol met energie te zitten en probeert ongeveer met al zijn speelgoed te spelen in 10 minuten tijd. Echte concentratie is er dan ook niet, maar doelstellingen zijn er wel. Hij heeft net vader gezien die binnen kwam van zijn werk, maar bleef wel bij zijn spel. Zijn vader maakte contact, maar Kyan bleef in zijn eigen wereld. Hij keek wel even vluchtig om, maar het afsluiten van het één en het contact maken met vader lukte hem niet. Vader riep nog een extra keer met verheffende stem en lichte irritatie ‘Hallo KYAN!!’, maar er kwam niets terug. Ineens ziet Kyan houten blokken en hij glijdt er op zijn knieën naar toe over de houten vloer. Hij probeert een toren te maken. Het ziet er onrustig uit en de toren valt eigenlijk gelijk om. Hij probeert het nog één keer en het lukt. Juichen doet hij niet want hij staat niet stil bij wat hem is gelukt. Hij gaat gewoon door om de toren hoger te maken, nog steeds even onrustig als hij al deed. Niet veel later valt de toren weer om en hij balt zijn vuisten. Alsof toeval niet bestaat roept zijn moeder hem aan tafel voor het eten. Daar zat hij al helemaal niet op te wachten, want dat betekent dat het succesgevoel bij de blokkentoren wel heel ver weg is. Hij schreeuwt dan ook direct ‘NEE!’. Bij vader lijkt deze kreet nog harder binnen te komen dan hij in werkelijkheid was en is helemaal klaar met Kyan. Zo gaat het iedere dag als hij thuis komt. Eerst krijgt hij al geen contact met hem als hij thuis komt van zijn werk en nu doet hij ook nog brutaal naar zijn moeder. Hij heeft maar te luisteren. Vader roept hem met verheffende stem en hangt gelijk een consequentie boven zijn hoofd als hij niet naar hem luistert. Dit schiet Kyan in zijn verkeerde keelgat. Hij richt zich naar zijn vader, kijkt hem fel aan en roept keihard ‘NEE, niet voor jou!’ Kyan gaat die avond vroeg naar bed en krijgt van moeder na het eten nog apart een bordje eten. Kyan is op dat moment weer een beetje gekalmeerd en vader is boven op zijn kantoor gaan zitten. De rust lijkt weer in huis te zijn teruggekeerd.

Kyan gaat graag naar school, maar ook hier valt op dat hij soms blokkeert en dan ineens boos wordt op wie dan ook maar die laatste druppel in zijn emmertje doet. Zowel thuis als op school valt op dat hij snel afgeleid raakt van zijn omgeving. Niet alleen het blokkeren valt op, maar zeker ook zijn enthousiasme en blijheid. Deze gevoelens zijn er ook vol overgave.

Kyan wordt aangemeld voor extra ondersteuning d.m.v. psychomotorische therapie en kinderoefentherapie. De hulpvraag is gericht op dat Kyan zo snel overprikkelt raakt en snel is afgeleid. Na de kennismaking en het uitvoeren van een motorisch onderzoek en spelobservatie valt er van alles op. Kyan is een fantastisch jongetje. Hij is speels, enthousiast en vol energie. Precies zoals ouders hem al omschreven. Zijn motoriek loopt flink achter. Hij voelt zijn lijf onvoldoende aan en veel prikkels komen wel binnen, maar lijkt hij onvoldoende te verwerken. Het valt ook op dat hij hele duidelijke instructie nodig heeft om tot een actie te komen die jij in je hoofd hebt. Het contact maken vraagt meer van zijn omgeving. Level je lengte door op je hurken bij hem te zitten, kom dus ook dichterbij en leg eventueel een hand op zijn schouder. Verlaag je stem en vertraag een klein beetje je spreektempo. Dit werkt voor hem direct. Het aansturen en doseren van zijn bewegingen vindt hij erg lastig en levert dan ook al snel frustratie op. Een andere manier voor Kyan is om deze opdrachten te vermijden en gewoon iets anders te gaan doen. Alleen aan het einde van de dag lukt hem dit niet meer zo goed. Wanneer hij moet liggen op een mat valt gelijk op dat hij ontspant. Kyan moet ook gelijk gapen en alles aan hem ziet er ontspannen uit. Kyan moet benoemen waar er een pittenzakje op zijn lijf wordt gelegd. Grote basale lichaamsdelen kan hij benoemen, maar met name zijn benen vindt hij lastig om waar te nemen. De pittenzak die op zijn bovenbeen wordt gelegd voelt hij onvoldoende. Hij gokt min of meer dat hij op zijn voet ligt. Verder naar onderen richting zijn voeten wordt het nog lastiger. Het stevig kunnen staan en het bewustzijn van waar je bent en wat je doet begint bij je voeten. Het is dan ook erg lastig voor Kyan om alert te blijven. Rennen, stoeien, klimmen en eigenlijk alle spellen waar hij meer kracht en energie voor nodig heeft vindt hij prachtig. Hij krijgt meer prikkels van zijn eigen lijf en deze kan hij ook beter waarnemen waardoor hij ook veel beter voelt wat er gebeurt en wat hij doet. Opdrachten waarbij hij zich moet focussen vindt hij duidelijk lastiger. Hij moet een paar pittenzakken zoeken in de zaal die vrij gemakkelijk verstopt zijn, maar hij kan er zo meerder keren langs lopen. Wanneer de therapeut hem helpt door te zeggen dat hij de goede richting of de verkeerde richting (warm/koud) oploopt is het alsnog lastig voor hem. Kyan lijkt even te blokkeren, in bewegen dit keer, dus hij staat stil. De therapeut zegt ‘je moet wel bewegen, anders kan ik ook niet zeggen dat of je de goede kant op gaat’. Kyan neemt het heel letterlijk en begint zijn lijf te wiebelen op de plaats. De therapeut schiet in de lach en maakt de opdracht duidelijker door er ‘lopen’ aan toe te voegen.

Kyan is moe aan het eind van de dag en zo ook zijn vader. Vader is gestart om rustig af te stemmen met Kyan door dichterbij hem te komen en eerst even te vragen waar hij mee bezig is. Als hij merkt dat hij goed en rustig contact heeft buigt hij de aandacht door te vragen ‘mag ik knuffel van je?’ Even lijkt Kyan nog in zijn spel te blijven, vader wacht rustig af en ineens draait Kyan zich om naar hem en geeft hem een dikke knuffel. Behalve dat ouders handvatten kregen hoe ze het beste met Kyan om konden gaan en wat ze wel en niet van hem konden verwachten heeft Kyan veel zelf geoefend. Hij heeft geleerd om zijn eigen lijf te herkennen in zijn mogelijkheden en onmogelijkheden door middel van allerlei spelletjes en bewegingen. Ook heeft hij meer stabiliteit ontwikkeld en kan hij op een begrijpelijke manier, aangepast op zijn leeftijd, zijn gevoelens aangeven. Het is een lange weg voor Kyan, maar hij heeft ook nog lang, hij is pas 5 jaar oud. Nog zo open om te leren. De frustratie bij ouders sloeg om in herkenbaarheid, begrip en positieve energie. Precies wat Kyan nodig heeft.

Zelf ontdekken en tempo bepalen

Zelf ontdekken en tempo bepalen

Thomas is een jongen uit groep 2. Hij heeft een matig evenwicht en is snel bang en onzeker wanneer het oppervlak waar hij op loopt instabiel is. Hij loopt de gymzaal in en kijkt om zich heen. Aan de hand van wat hij ziet denkt hij vaak al te weten wat we gaan doen. Maar dit keer heeft hij geen idee. Hij ziet alleen een voorwerp van hout in het midden van de zaal liggen. Een voorwerp dat hij nog niet eerder heeft gezien, laat staan dat hij er verwachtingen van heeft.

Het voorwerp is een wiebelplank, ooit zelf gemaakt om het evenwicht van kinderen te stimuleren. Vaak bouw ik de oefeningen op van een zittende naar een staande houding en probeer ik het op die manier steeds wat lastiger te maken. Een routine die er bij mij zit ingebakken met de daaraan gekoppelde verwachtingen. Omdat Thomas snel bang is pak ik het dit keer anders aan.

Thomas lijkt wel geïnteresseerd in het voorwerp en kijkt mij heel even vragend aan. Hij is gewend dat ik zeg wat we gaan doen, maar van mijn blik wordt hij dit keer niet veel wijzer. Hij gaat op de grond zitten en raakt de wiebelplank aan met zijn handen. Dat hij heen en weer gaat vindt hij wel grappig. De zijkant raakt de grond en dat maakt een hard geluid. Hij begint hiermee te spelen. Van zachtjes naar heel hard. Hij kijkt heel even naar mij of ik zijn spel nu al ga corrigeren, maar ik zwijg. Wie zwijgt stemt toe snappen jongens uit groep 2 blijkbaar ook al heel goed, dus Thomas begint steeds harder te wiebelen.

Dan ineens stopt hij en begint hij al zoekend door de zaal te lopen. Hij begint materiaal te verzamelen. Pittenzakken, pionnen, ballen, blokken, alles wordt erbij gehaald. Hij neemt het mee naar de wiebelplank. Blijkbaar is de kwaliteit van de plank goedgekeurd en gaat hij nu een ander onderdeel testen, de balans. Thomas legt van alles op de plank om te ontdekken wat blijft liggen en wat niet. Hij bouwt de spanning op. Zodra alles van de plank valt begint hij hard te lachen. De spanning is van de toren af en blijkbaar ook van Thomas. Ik vraag hem of hij er zelf ook op kan zitten en neem vanaf dat moment weer een klein beetje de leiding over. Thomas gaat er gelijk op zitten. Hoewel hij moeite heeft met zijn balans is hij niet bang.

Thomas  heeft op zijn eigen tempo en met zijn eigen ideeën de wiebelplank leren kennen. Door de plank te voelen en door de positieve spelervaring blokkeert hij minder snel en durft hij er nu ook op te gaan zitten, staan en er over heen te lopen. De wiebelplank blijft voor hem een lastig voorwerp, maar hij blijft plezier houden in het oefenen.

Kinderen even de tijd en de ruimte geven om het materiaal te leren kennen en er zelf op hun eigen manier en niveau mee te laten spelen zorgt ervoor dat ze er vertrouwen in krijgen. Deze stap wordt nog te vaak overgeslagen.

jezelf beoordelen doet wonderen

Jezelf beoordelen doet wonderen

Met een onderzoekende blik kijkt hij me aan nadat hij net een aantal pionnen heeft geraakt met een bal. Ik hoef hem niet te vragen wat hij met die blik bedoelt. Hij wil weten wat ik van zijn worp vond. Ik zeg niets. Ik zet mijn pokerface op en wacht totdat hij doorgaat met gooien. Aan het eind vraag ik hem wat hij vond van zijn prestatie en of hij een cijfer kan geven tussen 0 en 10. Hij geeft zichzelf een 8 en ik kijk hem lachend aan. ‘Super goed man’, zeg ik. Ik geef je ook zeker een 8. Het grootste compliment is niet de lach van mij en de bevestigende 8 die ik hem geef, maar juist zijn eigen beoordeling en het intrinsieke besef van wat hij in zijn mars heeft. Zijn motorisch zelfbeeld is vaak niet reëel en afhankelijk van hoe anderen op hem reageren. Dit leidt bij hem vaak tot twijfels over het eigen kunnen.

Kinderen hechten veel waarde aan de mening en reactie van hun ouders en van leerkrachten. Kinderen die wat onzeker zijn en geen reëel beeld hebben van eigen kunnen richten zich vaak nog meer op het oordeel van anderen en vinden zichzelf vaak niet goed genoeg. Dit remt het zelfstandig ontwikkelen van motorische vaardigheden.

Afhankelijk van de leeftijd van kinderen probeer ik ook uit of ze kunnen ontdekken waarom een opdracht nou zo goed ging. Zodra ze dat door krijgen valt op dat ze een beter besef krijgen van hoe bijzonder sommige prestaties zijn. Kinderen zijn nog te vaak gericht op de dingen die niet goed gaan en vinden bepaalde goede prestaties nooit goed genoeg. Zodra ze een fout maken leggen we uit wat ze fout deden en hoe ze dat de volgende keer kunnen voorkomen. Dit is een belangrijke stap om tot ontwikkelen te komen, maar het creëert ook vaak een negatief zelfbeeld. Kinderen die zichzelf een reële bevestiging kunnen geven of ze iets goed of minder goed hebben gedaan zijn vaak meer gericht op zichzelf en voelen ook hun eigen lijf beter aan.

‘Nu jij!’, zegt hij. Hij herinnert mij even aan mijn vorige column ‘meedoen is goud waard’, aannemend dat hij die waarschijnlijk zelf niet gelezen heeft. Ook ik doe de oefening en ik bak er helemaal niets van. Hij vraagt: ‘En? Wat voor cijfer geef jij jezelf?’ Ik geef mezelf een 5. ‘Daar ben ik het wel mee eens’, zegt hij lachend. Als laatst gooien we om de beurt en zijn we een team. We besluiten om iedere poging die raak is uitbundig te vieren om zo het positieve te benadrukken. Na de eerste rake worp van hem springt hij op mijn rug en rennen we juichend de zaal rond. Onze dag kan niet meer stuk!

Een positief en realistisch zelfbeeld is essentieel in de ontwikkeling van een kind. Zelf weten wat je niveau is voorkomt dat je teveel waarde hecht aan de mening van anderen. Dit maakt het aanleren van motorische vaardigheden een stuk leuker en makkelijker.

Meedoen is goud waard

Meedoen is goud waard

Ik kom de school binnen en loop rechtstreeks naar de lerarenkamer, toe aan mijn eerste bak koffie. Uit onverwachte hoek komt een jongetje uit groep 1 op mij afgerend, ‘Hee meester Frank!’ Hij remt niet af en grijpt mijn benen vast. Ik begroet hem met ‘Hee vriend! Goedemorgen!’ Met een grote glimlach loop ik door naar de lerarenkamer. Ik bedenk me dat dit ook alleen maar kan gebeuren wanneer je met kinderen werkt. Het zou toch gek zijn als er ineens een collega op je af komt rennen. Toch vraag ik me af wat deze onverwachte knuffel zou betekenen. Zou het echt alleen maar een enthousiast ‘hallo’ zijn? Of wil hij zeggen hoe blij hij is dat hij iedere week één op één aandacht krijgt? 

Kinderen één op één aandacht mogen geven in het gymlokaal in de school. Je maakt mij en vooral de meeste kinderen niet gelukkiger. Ik noem het gymlokaal dan ook het mooiste lokaal van de school en er is nog geen kind geweest in al die jaren die het daar niet mee eens was. Even de klas uit mogen maakt de rest van de klas jaloers. Iedereen wil wel mee. Zelfs de juf maak ik er jaloers mee, want ook zij verlangt wel naar de tijd dat je nog één op één aandacht kon geven aan kinderen. Het is aan de ene kant fijn om mee te maken dat de kinderen jouw werk zo waarderen, maar tegelijk zet het me wel aan het denken.

Aandacht

Ik zie hulpverleners de meest ingewikkelde plannen maken om de meest gecompliceerde, maar soms ook zo simpele hulpvragen te kunnen beantwoorden. Het toverwoord is toch vaak aandacht, alleen dan verpakt in vaktermen. Naast mijn mening dat kinderen op de basisschool al jarenlang te weinig beweging krijgen is er eigenlijk nog een groter te kort aan aandacht. Ik vraag me sterk af hoeveel kinderen ik wel niet zou kunnen begeleiden wanneer ‘aandacht tekort’ een op zichzelf staande hulpvraag zou zijn.

Natuurlijk zijn de klassen te vol en natuurlijk komt er steeds meer diversiteit in een klas door het passend onderwijs, maar aandacht kan uit verschillende hoeken komen. Ik merk niet alleen tijdens de therapie, maar ook bij sommige leerkrachten en ouders dat meedoen in het spel van de kinderen veel krediet en een bijzondere band oplevert tussen kind en volwassenen.

Kinderen genieten er enorm van wanneer hun vader of moeder een keer mee wil doen met een spelletje. Op één van de scholen waar ik werk zijn twee meesters die in de pauze mee voetballen met de kinderen. De kinderen vinden het fantastisch en er is praktisch nooit een incident tijdens het voetballen. Ik merk dat de kinderen hier op zowel motorisch gebied als op sociaal-emotioneel gebied een stuk sterker van worden. Het meedoen van de leerkracht motiveert kinderen ook om in beweging te komen en te blijven. Daarnaast maakt de leerkracht zich snel populair bij de kinderen waardoor ze hem of haar ook eerder als voorbeeld gaan zien en makkelijker zijn aan te zetten tot leren.

Letterlijk meebewegen en meedoen met kinderen is goud waard. Aandacht is de brandstof voor kinderen dat zorgt voor een groter leervermogen en een verbeterde vertrouwensband tussen kind en volwassenen.

Wanneer bescherm je een kind

Wanneer bescherm je een kind?

Bescherm je een kind zodat het zich veiliger voelt? Bescherm je een kind zodat er meer veiligheid aanwezig is in zijn of haar ontwikkeling? Bescherm je een kind om jezelf een veilig gevoel te geven of misschien zodat je kind minder angst heeft of dat jij minder angst hebt.

Talloze redenen zijn er te bedenken waarom je een kind zou beschermen. Daarnaast is natuurlijk ook de vraag: Wat is beschermen? Is dat een kind omarmen of is het je kind bewust weg houden uit bepaalde situaties? En misschien een beetje een gekke vraag: Kun je een kind ook beschermen tegen beschermen?

Ik koppel deze vragen graag aan de motorische ontwikkeling.

Praktijkverhaal

Eva bleef mooi op de grond! Ze stond in een het midden van de speeltuin op van die prachtige rubberen tegels (ook zo’n mooie discussie trouwens, wel of geen rubberen tegels?). In het midden een mooi klimtoestel met een glijbaan. Haar broer duwde haar letterlijk richting het klimtoestel. Hij snapte het gewoon niet dat ze er niet op durfde. Eva barst in tranen uit. Moeder kwam direct op haar af en troostte haar. Langzaamaan werd Eva weer rustig en moeder adviseerde haar om een mooie tekening te gaan maken met stoepkrijt.

en toen…

De volgende dag kwam Eva weer in de speeltuin. Dit keer was haar broer er niet bij en was ze alleen met haar vader. Eva had een hoop geleerd gister van haar ervaring. Ze twijfelde dan ook geen moment en begon direct weer met kleuren op de stoep. Na een tijdje probeerde vader haar met een rustige stem mee te nemen naar de glijbaan. Eva reageerde voor haar doen zeer direct met een NEE. Tenminste, ze zei geen nee, maar bedoelde vooral nee door zich weer terug te draaien naar haar tekening en niet op de vraag van haar vader in te gaan. Vader stelde voor om één keer van de glijbaan te gaan en  ondanks dat Eva niet reageerde tilde hij haar op en zette hij haar direct bovenaan de glijbaan, klaar om te glijden. Eva huilde niet alleen, maar schreeuwde het uit. Vader schaamde zich, maar niet direct voor zijn eigen handelen, maar meer voor het volume van zijn kleine Eva waarmee ze de buurt even liet weten wat haar vader wel niet gedaan had.

De volgende dag had Eva veel geleerd. Ze ging niet meer naar de speeltuin en ging in de achtertuin met stoepkrijt tekenen.

Motorische ontwikkeling en spelontwikkeling Eva

De fijne motoriek van Eva is inmiddels goed geoefend. Ze tekent vaak en kan zichzelf goed vermaken. Ze speelt uren alleen. Dat is ook veilig voor haar want zo heeft ze nooit de discussie of ze iets zou gaan doen wat ze misschien niet wil. Klimmen kan en wil ze vooral niet. Moeder geeft aan dat ze dat geen ramp vindt. Zelf hield ze ook niet van klimmen vroeger en je kunt jezelf ook goed pijn doen als je uit zo’n klimtoestel valt. Haar broer is er al een paar keer uit gevallen en mijn hart zit steeds in mijn keel als ik hem weer zie gaan.

Vasthouden of loslaten

De discussie vasthouden of loslaten is wederom geboren. Voor Eva is het belangrijk om nieuwsgierig te blijven naar de wereld om haar heen, vooral nieuwsgierig zijn naar het onbekende. Een aangeboren eigenschap die vrijwel ieder kind heeft. Deze eigenschap is ook nodig om te blijven leren. Vallen hoort erbij. Eva zal niet alleen het schoolplein gaan mijden, maar zal in andere onbekende situaties ook minder snel initiatief nemen. Ze mist immers succeservaring in het aanleren van nieuwe vaardigheden.

Hoe zit het dan met haar broer?

Haar broer Tom heeft geen moeite met opzoeken van spanning. Hij kan er niet genoeg van krijgen. Tom kan zelfs met zijn ogen dicht oversteken, staan op de wipwap, een handstand met landing plat op je rug en hij kan in het verkeer fietsen terwijl hij om zich heen kijkt en zijn stuur niet vast heeft. Bizar dat hij nog maar 3 keer op de eerste hulp is beland. Moeder geeft aan dat hij soms zo hard valt en dan gewoon weer op staat en niet eens hoeft te huilen. Zijn pijngrens is enorm hoog en dat is maar goed ook, want anders had hij de hele dag pijn gehad. Aan de andere kant had dat hem dan misschien wat meer afgeremd. Moeder probeert hem te beschermen maar hij luistert niet. Als je hem even niet in de gaten houdt steekt hij zo de busbaan over. Tom heeft een duidelijk kader nodig en kan deze zelf niet goed plaatsen.

Zijn grofmotorische vaardigheden zijn redelijk. Hij heeft veel kracht en snelheid, maar weinig lichaamsgevoel en heeft moeite met het doseren van zijn snelheid en kracht. Hij speelt veel samen en is geliefd bij andere jongens omdat hij altijd alles durft. Bij het voetballen heeft hij soms nog wel letterlijk en figuurlijk aanvaringen met andere kinderen doordat hij te hard speelt en anderen pijn doet.

Tips voor ontwikkeling Eva

Zo te zien lijkt Eva wat op haar moeder en Tom wat meer op zijn vader, maar dat is meer een conclusie dan een oplossing. Wellicht herken je zelf ook wel één van je kinderen in dit verhaal of misschien een buurjongen of buurmeisje. De vraag ‘wanneer bescherm je een kind’ blijft lastig en ook persoonlijk. Ondanks dat heeft je keuze enorm veel effect op de ontwikkeling van je kind. Bij kinderen met grote angst is het goed om kleine stapjes naar nieuw te maken. Eva zal eerst weer naar staand spel moeten. Dit kan al door een bal over te gooien. Springen, hinkelen, huppelen en misschien fietsen(ligt aan de leeftijd en aan wat ze al kan), dit zijn mooie opstapjes naar klimmen. Succes in nieuwe vaardigheden is een ongekend populaire drug voor kinderen. Zo krijg en hou je ze weer in beweging.

Tips voor ontwikkeling Tom

Tom zou vaker spel kunnen gaan spelen waarin hij moet doseren. Dit zou je staand en lopend kunnen oefenen door spelletjes op één been te doen of over een stoeprand te lopen. Het aanvoelen en aansturen van je lijf is zeer belangrijk. Niet alleen om niet te vallen, maar ook om uit onveilige situaties weg te blijven en om minder snel conflicten te hebben met leeftijdsgenootjes. Tom zal waarschijnlijk zittende opdrachten saai en vooral moeilijk vinden. Hiervoor heeft hij waarschijnlijk teveel onrust in zijn lijf. Toch zou een spelletje jenga of toren van pisa aan tafel goed zijn om zijn spanningsboog en gerichte aandacht te trainen. Denk er aan dat zo’n spelmoment ook niet zo lang hoeft te duren. Zo lang als hij aan kan. Het belangrijkste is wederom: Succeservaring opdoen in nieuwe vaardigheden zorgt dat hij in beweging komt en blijft. Of in het geval van Tom, dat hij leert doseren.

Tot slot

Beschermen is een fantastisch middel om als ouder of als leerkracht in te zetten bij een kind. Onderschat niet de kracht van dit wapen! Het beïnvloed vaak het (spel)gedrag bij een kind.